Voor vele miljoenen mensen is de onmacht van het kapitalisme om in hun behoeften te voorzien geen academische discussie, maar de dagelijkse realiteit. Negentienduizend kinderen sterven dagelijks aan geneesbare ziektes. Hoewel er meer dan genoeg voedsel op deze wereld is, leven volgens nieuwe cijfers van de Wereldbank 1,4 miljard mensen in extreme armoede, terwijl 1 procent van de wereldbevolking net zoveel bezit als 57 procent. In allerlei opzichten is het kapitalisme een systeem van zieke tegenstellingen. En het is precies deze waanzin die mensen tot verzet drijft.
Marx plaatste zich aan de kant van de onderdrukten. Zijn studies naar de werkingen van het kapitalisme – ‘droge theorie’ zoals hij het zelf noemde – waren bedoeld als wapens voor arbeiders in hun strijd tegen uitbuiting en onderdrukking. Zijn levensmotto luidt dan ook: ‘De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd, het gaat erom haar te veranderen.’ Maar over het socialistische alternatief dat Marx in gedachte had, bestaan de meest hardnekkige misvattingen. ‘Leuke theorie, maar in de praktijk leidt het tot ellende’, aldus een veelgehoorde opvatting. Maar over welke theorie en praktijk hebben we het precies?
Voor Marx was socialisme een maatschappij waarin ieder naar vermogen zou produceren en ieder naar behoefte kon consumeren. Voorwaarden hiervoor waren dat a) de productiecapaciteit dusdanig was gegroeid dat er geen schaarste zou kunnen zijn en b) dat producenten controle zouden hebben over de productie en zeggenschap over wat er met de goederen gebeurt. Eigenlijk komt socialisme dus neer op het democratiseren van de economie. Zo’n economie zou gedragen worden door netwerken van producenten en consumenten die discussiëren en besluiten nemen over hoe ze de beschikbare rijkdom kunnen inzetten voor het bevredigen van hun behoeften.
De kerngedachte van Marx was dat mensen dit alleen voor elkaar zouden krijgen als ze door strijd hun collectieve kracht zouden ontdekken, en dat zich daarin de kiemen voor een nieuwe maatschappij bevinden. ‘De emancipatie van de werkende klassen moet veroverd worden door henzelf. De emancipatiestrijd van de werkende klassen is geen strijd voor klasseprivileges en monopolies, maar voor gelijke rechten en plichten en de afschaffing van de klassendictatuur.’ Dit was de eerste algemene regel die Marx voor de Eerste Internationale had opgesteld. Rond die theorie én praktijk is de marxistische traditie opgebouwd.
Wie deze ideeën als uitgangspunt neemt, kan zien dat dictaturen in het voormalige Oostblok, China of Cuba geen ‘slechte uitwerkingen’ waren van het socialisme maar eerder varianten van het kapitalisme – staatskapitalisme om precies te zijn. Achter de communistische façade van deze regimes schuilde een werkelijkheid van staatsgeleide uitbuiting en dictatoriale onderdrukking. De stalinistische regimes werkten als één groot bedrijf waarin de bureaucratie de besluiten nam, om van bovenaf het land te industrialiseren en met het Westen te concurreren. Deze karikaturen van socialisme kunnen niet in de schoenen van Marx geschoven worden.
Hetzelfde geldt voor de wandaden van ‘socialisten’ van het type Wim Kok of Wouter Bos. De eerst hekelde de ‘exhibitionistische zelfverrijking’ van topbestuurders, om er een paar jaar later zelf een exponent van te worden. Bos heeft het over ‘het einde van het Amerikaanse superkapitalisme’, om vervolgens datzelfde kapitalisme aan een miljardeninfuus te leggen. SP-leiders Agnes Kant en Jan Marijnissen verfoeien het ‘graaikapitalisme’ van het Angelsaksische model, om vervolgens te pleiten voor het ‘alternatief’ van een Rijnlandmodel, waarin een regulerende staat het kapitalistische beest in bedwang moet houden. Hiermee begeeft de SP zich op dezelfde reformistische weg waaraan de PvdA ooit begon.
Reformistische partijen veronderstellen dat de staat een neutraal orgaan is, dat ingezet kan worden voor het ‘algemeen belang’. Maar in het kapitalisme bestaat geen algemeen belang, alleen maar tegengestelde belangen tussen klassen. De staat is hierin geen neutrale speler, maar is verbonden met de belangen van het kapitaal.
Marx deed de bekende uitspraak dat ‘de moderne staat slechts een uitvoerend comité is dat de gemeenschappelijke zaken van de hele bourgeoisie beheert’. Socialisten die het op zich nemen om de kapitalistische staat te besturen vormen zich ofwel om tot trouwe handlangers van het kapitaal, of ze worden dusdanig tegengewerkt dat er weinig tot niets van hun plannen terecht kan komen. De grootste bedrijven hebben zich sinds de jaren zeventig steeds meer losgewrikt van politieke regeltjes. Ze bepalen zelf de regels door telkens te dreigen met het stoppen van hun investeringen, het verhuizen naar een ander land of het opvoeren van de werkloosheid.
Daarom concludeerde Marx dat socialisme alleen mogelijk is door een radicale democratisering van de economie en de politiek van onderaf. Die kan bereikt worden wanneer de macht van het kapitaal en de staatsinstellingen succesvol bevochten worden door de kracht van de arbeidersbeweging en internationale sociale bewegingen.
De beginnetjes voor dit soort bewegingen hebben we in de afgelopen jaren gezien. Denk aan de andersglobaliseringsbeweging, de massale demonstraties tegen oorlog in Irak en de protesten en stakingen tegen sociale afbraak. Het doel van socialisten is om deze bewegingen op te bouwen en met elkaar te verbinden, te versterken met de lessen van strijd uit het verleden en uit andere landen. De fundamentele kritiek van Marx en zijn revolutionaire politiek zijn onmisbaar als we een einde willen maken aan het kapitalisme.
Maina van der Zwan is een van de auteurs van de nieuwe bundel ‘125 jaar Marx’. Dinsdag 4 november wordt deze in Rotterdam gepresenteerd, met onder andere een debat tussen Arnold Heertje, Marcel van der Linden, Ronald van Raak en Alfred Kleinknecht. Klik hier voor meer informatie.
maandag 3 november 2008
Wil de echte Marx opstaan? (deel 2)
Abonneren op:
Comment Feed (RSS)
|